Hoe wordt de gouden handdruk berekend?

De kantonrechtersformule is de richtlijn die is opgesteld door de gezamenlijke kantonrechters in Nederland voor het bepalen van de hoogte van de zogenaamde ontbindings- of beëindigingsvergoeding ook wel gouden handdruk genoemd.

De kantonrechtersformule luidt als volgt:
A*B*C

Waarbij:
A = het aantal gewogen dienstjaren
B = de beloning
C = de correctiefactor

A. Aantal gewogen dienstjaren

Voor de berekening van het aantal gewogen dienstjaren wordt de diensttijd afgerond op hele jaren, waarbij een halfjaar naar beneden wordt afgerond, en een half jaar + een dag naar boven. De dienstjaren worden vervolgens als volgt gewogen:

Voorbeeld:

Het aantal gewogen dienstjaren voor een medewerker van 53 jaar met 17 dienstjaren wordt volgens deze nieuwe berekening:
(8*1) + (9*1,5) = 8 + 13,5 = 21,5

B. Beloning

Hierbij wordt uitgegaan van het bruto maandloon. Dit bruto maandloon wordt vermeerderd met de componenten vakantietoeslag, dertiende maand (vaststaand en jaarlijks uitgekeerd), structurele overwerkvergoeding en vaste toeslagen zoals een ploegentoeslag.

Componenten die in beginsel niet tot de beloning worden gerekend zijn de auto van de zaak, onkostenvergoeding, tantièmes, werkgeversaandeel in de ziektekostenverzekering en pensioen, de niet-structurele winstdeling en opties en/of aandelen in de onderneming. De kantonrechter kan echter in uitzonderlijke gevallen beslissen dat bepaalde componenten alsnog worden gerekend tot de beloning.

C. Correctiefactor

Met de gebruikte correctiefactor laat de kantonrechter zien aan wiens schuld hij de omstandigheden die tot de ontbinding leiden (de ontbindingsgrond), wijt (verwijtbaarheid). De kantonrechter kan een correctiefactor gebruiken varierend van van 0 tot maximaal 2. Daarbij wil ik wel stellen dat in 2009 minder vaak een correctie factor van meer dan 1 werd toegepast. Dit blijkt uit een daling van de beëindigingsvergoedingen in 2009 met 25%.

Correctiefactor 1

Uitgangspunt is een correctiefactor 1, in dat geval zijn er geen bijzondere omstandigheden die zouden leiden tot een hogere/lagere vergoeding. Dit wordt ook wel een "neutrale" ontbinding genoemd. Bij een ontbindingsgrond die geheel in de risicosfeer van de werkgever ligt, en waarbij geen sprake is van verwijtbaarheid bij één van beide partijen, zal in het algemeen correctiefactor 1 gebruikt worden. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan het vervallen van de arbeidsplaats van de werknemer in verband met een reorganisatie (zonder dat zich verdere bijzondere omstandigheden voordoen).

Correctiefactor lager dan 1

Wanneer de kantonrechter van mening is dat, gezien de omstandigheden, een ontslagvergoeding niet op haar plaats is, gebruikt hij de correctiefactor 0 (nul). Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn als de ontbindingsgrond geheel in de risicosfeer van de werknemer valt, terwijl er geen sprake is van verwijtbaarheid bij de werkgever, of als de ontbindingsgrond in zeer ernstige mate aan de werknemer te wijten is. Ook een correctiefactor tussen 0 en 1 is mogelijk.

Correctiefactor hoger dan 1

Wanneer de kantonrechter van mening is dat de werkgever verwijtbaar heeft gehandeld, kan de kantonrechter een correctiefactor hoger dan 1 gebruiken. De correctiefactor die in 2009 een vergoeding op leverde, varieerde van 0,25 tot maximaal 2.

Wetsvoorstel over maximering bij € 75.000

Het ministerie van Sociale zaken en Werkgelegenheid heeft met de vakbonden en de werkgeversorganisaties op 7 oktober 2008 afgesproken de hoogte van de ontbindingsvergoeding (en dus de uitkomst van de kantonrechtersformule) te maximeren tot één keer het jaarsalaris voor werknemers met een jaarsalaris vanaf € 75.000,-. Voor werknemers met een lager jaarsalaris geldt geen maximering. Het wetsvoorstel met deze strekking ligt ter advisering bij de Raad van State. De maximering geldt enkel voor beëindiging van de arbeidsovereenkomst via de kantonrechter, dus niet voor ontslagvergoedingen die afgesproken zijn in bijvoorbeeld een Sociaal Plan of beëindigingsovereenkomst. De kantonrechter kan afwijken van de maximering.